Aurelia Devrient
Alhoewel ik me volgens de informatiebordjes in het huis van de familie Hollander bevind, voelt deze ruimte in eerste instantie als een kunstlokaal: in het midden staat een kleurrijke tafel met knutselspullen, achterin is een aanrecht met verf en kwasten. De rechtermuur hangt vol met kleurrijke papieren vredesduiven.

Wanneer je dichterbij stapt, zie je de berichten die bezoekers van het Joods Museum Junior via hun vredesduif hebben achtergelaten. De instructies vertellen alleen hoe je een duif moet knutselen, toch zijn de meeste duiven beschreven. De invulling varieert: groeten uit diverse landen, Hebreeuwse woorden of alleen versiersels zonder tekst. Alhoewel deze installatie de naam ‘Vredesbos’ draagt, staat lang niet op alle duiven een vredesboodschap. Slechts enkele duiven zijn beschreven met specifieke reflecties op vrede: “Love, hope and peace for the countries at war”, “End to Antisemitism in Holland”, en tenslotte een intussen bekend politiek symbool – een duif met de tekst “Peace Now”.
Dit is slechts één van de vele manieren waarop het Joods Museum Junior participatie inzet, waarbij zowel lichtere als zwaardere thema’s worden aangesproken. Daar kunnen allerlei participatievormen bij passen: van op knopjes drukken, knutselen en video’s bekijken tot Hebreeuws leren schrijven, muziekinstrumenten bespelen en Joods eten bakken.
Als we participatie definiëren als bezoekers betrekken bij het onderwerp, lijkt het Vredesbos een wat minder geslaagde participatievorm: veel boodschappen op de vredesduiven verwijzen niet naar vrede. Of zijn de vele verschillende boodschappen juist een teken dat er veel verschillende manieren van participeren zijn? Deze vragen maakt het Joods Museum Junior een interessante case study om de mogelijkheden en uitdagingen van wat Nina Simon een participatory museum noemt, te behandelen. Daarvoor zal ik eerst uitleggen wat een participatief museum inhoudt, en vervolgens mogelijkheden en uitdagingen van participatie illustreren aan de hand van het Vredesbos en twee andere installaties; de ‘Tuin van Eden’ en de ‘herinneringsmuur.’
Waar hebben we het over, wanneer we over participatie praten? In 2009 schreef Nina Simon hierover in haar boek The Participatory Museum. Ze pleitte ervoor dat musea minder passief moesten worden: niet een plek over of voor iets of iemand, maar een plek die gemaakt en ontwikkeld wordt met bezoekers. Dit betekent dat bezoekers eigen ideeën meebrengen en zo zelf bijdragen aan het museum, én hun ervaringen kunnen delen, wat voor meer verbindingsgevoel met anderen zorgt.
Een probleem met ‘traditionele’ musea was volgens Simon dat voor bezoekers hun eigen perspectief en context ontbrak: participatieve musea zouden daar verandering in kunnen brengen. Dit idee werd bevestigd in mijn gesprek met Petra Katzenstein, hoofd en initiator van het Joods Museum Junior: in 2000 richtte zij het kindermuseum op, omdat het Joods Museum voor haar onvoldoende ruimte voor kinderen bood. Het eerste “probeersel” was meteen participatief: “voor kinderen moet het een plek zijn waar je niet alleen maar langsloopt en mooie dingen ziet, maar hands on.” Daarnaast is er een gevarieerd aanbod aan culturele elementen die telkens gekoppeld worden aan algemene emoties en ervaringen, zodat bezoekers ongeacht achtergrond zich erin kunnen herkennen.
Specifiek voor kinderen zijn spel en participatie efficiënte en leuke methoden om over iets te leren. Kindermusea zijn echter geen pretparken: ze zijn (ook) culturele kenniscentra. Het risico van té veel focus op participatie is dat dit element verloren raakt. De balans vinden tussen plezier, interactie en spel en het verantwoord overbrengen van informatie is een complexe taak. Je moet kinderen serieus nemen en erop vertrouwen dat ze nuance begrijpen, of zoals Katzenstein zegt: “kinderen aanspreken op waar zij zijn, op een volwassen manier.” En dat doet het Joods Museum Junior ook: de Joodse identiteit wordt in zijn veelzijdigheid gepresenteerd, kinderen worden aangemoedigd vragen te stellen en na te denken over interpretatiemogelijkheden van Bijbel- en Talmoedpassages, en vervolgens hun eigen zienswijze te delen.
Niet alle participatiemogelijkheden leiden tot een genuanceerde reflectie. Soms levert het juist irrelevante of ongewenste uitingen op, zoals de duiven in het Vredesbos die niets over vrede zeggen. Het meest succesvol lijkt de nieuwe installatie, de Tuin van Eden, die volledig gecentreerd is rondom de Gulden Regel. Dit is een eerste poging tot vernieuwingen in het museum. Het succes lijkt grotendeels te liggen bij de gerichte sturing van de participatie, ook wel scaffolding genoemd, die bij andere installaties ontbreekt.

De Tuin van Eden op de bovenste verdieping is gevuld met kleurrijke papieren bloemen. Er staan enkele palen met QR-codes voor een spel op VR-brillen en tablets waarbij geanimeerde rabbijnen de Gulden Regel uitleggen. Bezoekers kunnen vervolgens een bloem knutselen en erop schrijven om deze regel toe te passen. Ook zonder spel is dit een succesvolle installatie waar participatie centraal staat: zonder bezoekersparticipatie zou er immers geen bloementuin zijn, alleen een paar voorbeeldbloemen. Op de bloemen staan sturende teksten, die ruimte bieden voor eigen invulling, maar niet zoveel dat je afgeleid wordt van het onderwerp. De bloemen geven de volgende twee zinnen en nodigen kinderen uit om na de dubbele punt eigen bijdragen te schrijven:
“Ik vind het niet fijn als:
en daarom:”
Deze sturing werd pas aan deze installatie toegevoegd, toen bleek dat een leeg papier niet goed werkte. Bij beperkte aanwijzingen ontbreekt de noodzakelijke verbinding tussen activiteit en inhoud van een installatie. Het kan zelfs het onbedoelde effect hebben dat bezoekers met weinig museumervaring en bezoekers uit andere culturen het museumbezoek als stressvol ervaren, uit angst ongeschreven regels te overtreden. Door de sturende teksten op de bloemen leren kinderen de Gulden Regel toe te passen en wordt de kamer paradijselijk gevuld met goede voornemens. Achteraf mag je een zakje vergeet-mij-niet zaadjes – en dus je goede voornemen – mee naar huis nemen.


Sterke scaffolding genereert overigens niet altijd gewenste uitkomsten: ook hier zijn generieke “groeten uit”-berichten en ook hier vielen mij enkele ongepaste of (te) heftige berichten op, die bij latere bezoeken afwezig waren. Zo hing er bij mijn eerste bezoek op de herinneringsmuur een tekst met verwijzingen naar kindermisbruik.
Hieruit blijkt dat er grenzen zijn aan de mate waarop de participatie en ervaring van bezoekers gestuurd kan worden. Mensen die participatie willen inzetten, proberen namelijk op allerlei manieren ervoor te zorgen dat participatie passende of geslaagde resultaten oplevert. Museumwetenschappers Stefanie Steinbeck en Ana María Munar beschrijven bijvoorbeeld hoe musea vaak proberen affective atmospheres te creëren, waarbij de zintuigen geprikkeld worden om bepaalde emoties op te roepen. Dit zien we bij de herinneringsmuur: een muur met een animatronische mond, die in een serieuze, gedragen toon vertelt over haar herinneringen aan de Holocaust. Deze toon maakt heel duidelijk: dit is serieus, hier moet je even rustig voor gaan zitten. Toch is een muur abstracter dan een mens, zodat de ervaring niet te heftig is voor een kind. Zo worden de emoties van bezoekers gestuurd om bij de inhoud te passen. Emoties zijn echter niet statisch: zo kan confrontatie met de muur niet alleen de gewenste emotie, maar een hele emotiereeks van bijvoorbeeld nieuwsgierigheid, verassing, verdriet en verveling oproepen.
Dit blijkt uit het participatieve deel van de installatie. Hier worden kinderen uitgenodigd hun eigen nare of mooie herinneringen op te schrijven en op de tegenoverstaande muur te plakken. Zo reflecteren kinderen hopelijk meer op het moeilijke thema, of hun eigen herinneringen en verhouding tot de wereld. Musea reflecteren continu op de werking van hun participatieve methode. Sommige vormen resulteren bijvoorbeeld in geslaagde reacties, maar leveren dan weer wat minder actieve participatie op. De herinneringsmuur is in dat opzicht een geslaagde vorm van participatie, maar kan ook verbeterd worden. Katzenstein zou bijvoorbeeld willen dat de participatie niet ophoudt bij het herinneren: in de Joodse traditie gaat het om herinneren om te… Dat wil zeggen: aan iets denken is niet genoeg; je moet er ook iets mee doen.

Wanneer ik naar de papieren kijk, zie ik dat inderdaad niet alle briefjes herinneringen bescrijven waar wat mee gedaan kan worden. Een leeg papier nodigt even zozeer uit te schrijven over die grote schnitzel die je gegeten hebt of die dobbelsteen die op zijn hoek bleef staan (en ja: dit zijn echte voorbeelden). Dit is niet inherent negatief: het is aandoenlijk om te zien wat voor alledaagse dingen voor een kind de belangrijkste herinneringen kunnen zijn.

Een mogelijke oorzaak van dit beperkte succes is het gebrek aan scaffolding: de vraag “welke herinnering wil jij dat bewaard wordt?” is, naast breed, onvoldoende verbonden met het verhaal van de muur. Sturende en verdiepende aanwijzingen per kamer zoals: “Bedenk of je door deze herinnering iets zou kunnen doen of veranderen,” zijn alleen te vinden in de boekjes bij de ingang. Die sturing en diepgang loop je mis als je de boekjes niet ziet liggen (zoals ik bij mijn eerste drie bezoeken) of de functie ervan onbekend is (bijvoorbeeld voor onervaren museumbezoekers). Deze aanwijzingen aan de informatiebordjes toevoegen of de boekjes duidelijker presenteren, zou de participatie succesvoller kunnen maken.
Tegelijkertijd wil je ook niet te veel uitleggen en sturen: je wil een kind niet continu voorschrijven wat en hoe ze iets moeten doen. Bovendien kan een grote vrijheid tijdens de participatie bijdragen aan het faciliteren van interreligieuze kennis en interactie. Juist brede vragen die op algemene emoties en ervaringen gericht zijn, kunnen verschillen tussen culturen en religies overbruggen. Met name bij kinderen is het waardevol de fantasie de ruimte te bieden. De brede vraagstelling van de herinneringsmuur is hiervoor juist zinvol.
Terwijl een brede vraagstelling een waardevol alternatief biedt voor sterk gerichte sturing, kan volledige vrijheid juist de kinderfantasie én het succes van de participatie beperken. Dit zien we bij het Vredesbos: Een muur vol vredesduiven verliest zijn effect wanneer zoveel duiven inhoudelijk afwijken van het concept vrede. Een brede vraag zoals “wat is vrede voor jou?” zou de kinderfantasie juist meer inspireren dan een papieren duif zonder heldere context.
Deze afwegingen worden extra urgent wanneer er zware thema’s behandeld worden. Beperkte sturing bij nare elementen kan een bewuste keuze zijn, om een kind een positieve ervaring mee te geven en voor traumatisch materiaal te behoeden. Ook kan beperkte sturing ouders helpen bij het kiezen of en hoe ze hun kinderen met beladen thema’s willen confronteren: zo biedt de herinneringsmuur de mogelijkheid meer op algemene herinneringen of specifiek de holocaust te reflecteren.
Participatieve omgang met moeilijke thema’s hoeft geen nare nasmaak te hebben en kan zelfs heel waardevol zijn om kinderen handvatten te geven voor het ingewikkelde leven. In het nieuwe kindermuseum wil het Joods Museum Junior nog meer handvatten aanbieden. Zo vraagt de Tuin van Eden kinderen na te denken over wat ze niet fijn vinden, maar het laat het niet daarbij. De echte participatie ligt in het vervolg: ja, de wereld is niet altijd fijn, maar jij kunt er iets aan doen.
